ECLI:NL:CRVB:2015:725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
12 maart 2015
Zaaknummer
13-6614 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van nabestaandenuitkering op basis van gezamenlijke huishouding

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van een nabestaandenuitkering die aan appellant was toegekend op basis van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Appellant ontving deze uitkering na het overlijden van zijn partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft na een onderzoek vastgesteld dat appellant sinds 17 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met een nieuwe partner, wat hij niet had gemeld. Dit leidde tot de beëindiging van de uitkering per 1 maart 2009 en een terugvordering van eerder betaalde uitkeringen. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de Svb bevoegd was om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de uitkering en dat het huisbezoek dat door de Svb was uitgevoerd rechtmatig was. De verklaringen van appellant en zijn partner tijdens het huisbezoek werden als betrouwbaar beschouwd, en de Raad concludeerde dat er voldoende bewijs was voor de gezamenlijke huishouding. Appellant's argumenten tegen de rechtmatigheid van het onderzoek en de verklaringen werden verworpen. De Raad bevestigde dat de Svb terecht had geconcludeerd dat appellant zijn mededelingsverplichting had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden.

Uitspraak

13/6614 ANW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
29 oktober 2013, 13/3391 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roethof. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Aan appellant is vanwege het overlijden van zijn partner, [partner], met ingang van 1 mei 2005 een nabestaandenuitkering toegekend op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Uit de relatie van appellant en [partner] is op 24 december 2003 zoon [naam zoon 1] geboren. Appellant staat sinds 16 oktober 2003 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1](uitkeringsadres). [naam zoon 1] is daar vanaf zijn geboorte ook ingeschreven. Appellant heeft een relatie met [naam]. Uit deze relatie is op
17 februari 2009 zoon [naam zoon 2] geboren. [naam] stond ten tijde hier van belang samen met zoon [naam zoon 2] ingeschreven op het adres [adres 2].
1.2.
In het kader van een steekproef heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb (afdeling BO) een onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. Daarbij is dossieronderzoek verricht en zijn verschillende registers geraadpleegd. Verder hebben twee toezichthouders van de afdeling BO op 14 augustus 2012 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Tijdens dat huisbezoek hebben appellant en [naam] gezamenlijk een verklaring afgelegd, waarvan een verslag door beiden is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 augustus 2012.
1.3.
De Svb heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van
9 oktober 2012, voor zover hier van belang, het recht van appellant op nabestaandenuitkering met ingang van 1 maart 2009 te beëindigen (lees: in te trekken) en bij besluit van eveneens
9 oktober 2012 de over de periode van 1 maart 2009 tot en met september 2012 ten onrechte betaalde nabestaandenuitkering tot een bedrag van € 49.733,13 van appellant terug te vorderen. Bij besluit van 2 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 9 oktober 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant zijn mededelingsverplichting niet is nagekomen nu hij de Svb niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij sinds 17 februari 2009 met [naam] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het huisbezoek rechtmatig is en dat de Svb mocht uitgaan van wat appellant en [naam] op 14 augustus 2012 hebben verklaard. Op grond van die verklaringen heeft de Svb naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat appellant en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of appellant in de te beoordelen periode, die loopt van
1 maart 2009 tot en met 9 oktober 2012, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam]. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu vaststaat dat uit de relatie van appellant met [naam] een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en [naam] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft in beginsel niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat een redelijke grond ontbrak om een rechtmatigheidsonderzoek te starten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 36 van de Anw, in verbinding met de artikelen 2 en 8 van de Controlevoorschriften Anw, was de Svb bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de door appellant verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering.
4.3.
Het betoog van appellant dat het huisbezoek onrechtmatig is, omdat niet voorafgaand aan het huisbezoek is voldaan aan het vereiste van informed consent, slaagt niet. Uit het rapport van 17 augustus 2012 en de door appellant ingevulde en ondertekende “Verklaring omtrent huisbezoek SVB”, bezien in onderlinge samenhang, is af te leiden dat appellant voorafgaand aan het huisbezoek is geïnformeerd over de reden en het doel van het huisbezoek en dat hij er daarbij op is gewezen dat een weigering van het huisbezoek geen gevolgen heeft voor de nabestaandenuitkering. Appellant heeft vervolgens toestemming verleend voor het huisbezoek.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat er geobjectiveerde twijfel is over de juistheid van de weergave van de door hem en [naam] op 14 augustus 2012 afgelegde verklaringen. Appellant wordt daarin niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0315) mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van een in het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie door een belanghebbende afgelegde en ondertekende verklaring en heeft het achteraf intrekken of wijzigen van een dergelijke verklaring weinig betekenis. Dit is slechts anders indien sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Met wat appellant heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich hier voordoen. Niet kan worden gezegd dat appellant zijn verklaring niet in vrijheid of onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd, dat deze onjuist is weergegeven of om een andere reden buiten beschouwing zou moeten blijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door appellant en [naam] afgelegde verklaring, voorzien van een gedetailleerde berekening van het aantal dagen en nachten dat appellant en [naam] bij elkaar in dezelfde woning hebben verbleven, is neergelegd in een proces-verbaal dat appellant en [naam] na doorlezing beiden zonder enig voorbehoud hebben ondertekend.
4.5.
Appellant is verder van mening dat de tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring geen toereikende feitelijke grondslag biedt voor de conclusie dat appellant en [naam] gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. De Raad deelt deze opvatting niet. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat appellant en [naam] op 14 augustus 2012 onder meer hebben verklaard dat zij vanaf de geboorte van hun zoon [naam zoon 2], op 17 februari 2009, zoveel mogelijk als gezin bij elkaar wilden zijn, dat de frequentie van het samenzijn als gezin weliswaar wisselde door het seizoensgerelateerde werk van [naam], maar dat zij op jaarbasis gemiddeld 4 á 5 dagen en nachten per week bij elkaar in dezelfde woning hebben verbleven. Verder is van belang dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij niet vaak in de woning van [naam] in [plaats 1] komt, dat de beide kinderen veelal bij hem in [plaats 2] verbleven en dat [naam], als zij minder behoefde te werken, vaker bij appellant verbleef. De ter zitting door appellant afgelegde verklaringen zijn niet in tegenspraak met de tijdens het huisbezoek door hem en [naam] afgelegde verklaring en vinden voorts steun in een verklaring die door de oppas is afgelegd en in het feit dat het jongste kind in [plaats 3] bij [plaats 2] naar de kinderopvang gaat. De verklaringen van appellant en [naam] bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant en [naam] gedurende de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellant in [plaats 2].
4.6.
De door appellant nog in het geding gebrachte verklaringen van twee buren en twee collega’s van [naam] doen niet af aan de verklaringen die appellant en [naam] zelf tijdens het huisbezoek en ter zitting hebben afgelegd. Daarbij is van belang dat de verklaringen van de collega’s van [naam] niet direct betrekking hebben op de woon- en leefsituatie van [naam], maar zien op het houden van werkbesprekingen in de woning van [naam] en het meereizen met [naam] van of naar het werk. De buren van appellant hebben schriftelijk verklaard dat alleen appellant en zoon [naam zoon 1] op het uitkeringsadres wonen, maar uit deze verklaringen blijkt niet of dit berust op eigen concrete, feitelijke waarnemingen of dat het slechts een indruk van de getuigen betreft. Daarmee geven deze verklaringen geen uitsluitsel over het hoofdverblijf van [naam]. In zoverre, en ook in de tijd, zijn de verklaringen voorts onvoldoende specifiek en gedetailleerd.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.C.F. Talman en
G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) C. Moustaine
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB