Betrokkene was sinds 1996 werkzaam als teamlid bagage en meldde zich in december 2007 ziek. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd ingeschat. Appellante voerde aan dat de beperkingen van betrokkene, waaronder dyscalculie, onvoldoende waren meegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het UWV herzag het besluit en kende een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 42%.
In hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak en het eerste besluit van het UWV, omdat het standpunt van het UWV was gewijzigd. Het tweede besluit wordt echter bevestigd omdat de medische beoordeling en de geschiktheid van de geselecteerde functies adequaat en zorgvuldig waren gemotiveerd. De Raad oordeelt dat de beperkingen van betrokkene juist zijn meegenomen, inclusief dyscalculie, en dat de functies passend zijn.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Hiermee komt een einde aan het geschil over de toekenning van de WGA-uitkering aan betrokkene.