ECLI:NL:CRVB:2015:757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op buitenlandbijdrage op AOW-pensioen wegens woonplaats in Duitsland
Appellant, geboren in 1944, ontvangt een AOW-pensioen en woont feitelijk sinds 2005 in Duitsland. Het Zorginstituut heeft hem vanaf 1 januari 2006 als verdragsgerechtigde aangemerkt en vanaf oktober 2010 een buitenlandbijdrage ingehouden op zijn pensioen. Appellant betwistte dit en stelde dat hij nog steeds ingezetene van Nederland was vanwege zijn sociale contacten en postadres in Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat hij vanaf 1 mei 2005 niet meer als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd. In hoger beroep bevestigde de Raad dat het begrip woonplaats in de EU-verordeningen autonoom is en dat een persoon niet gelijktijdig woonplaats kan hebben in twee lidstaten. De Raad oordeelde dat appellant zijn normale woonplaats in Duitsland heeft, mede omdat hij zijn woning in Nederland heeft opgegeven en duurzaam in Duitsland woont.
Op basis van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie en de feiten concludeerde de Raad dat appellant terecht als verdragsgerechtigde is aangemerkt en dat de inhouding van de buitenlandbijdrage rechtmatig is. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant zijn woonplaats in Duitsland heeft en dat de inhouding van de buitenlandbijdrage terecht is.