ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5919
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens niet-ingezetenschap in betwiste periode
Appellant ontving aanvankelijk een volledig AOW-pensioen met ingang van augustus 2009. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste echter een korting van 8% toe wegens vier niet verzekerde jaren, omdat appellant in de periode van 1 mei 2005 tot en met 8 augustus 2009 niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van de Svb wegens ondeugdelijke motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk ingezetene was, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, waarin is bepaald dat ingezetenschap afhangt van een duurzame persoonlijke band met Nederland.
De Raad beoordeelde de feiten, waaronder het feit dat appellant zijn woning in Nederland had opgegeven en bij zijn vriendin in Duitsland woonde, en concludeerde dat appellant zijn duurzame woonplaats naar Duitsland had verlegd. Hoewel appellant nog enkele banden met Nederland had, zoals zorgverzekering en familie, was zijn duurzame woongelegenheid niet in Nederland.
Daarom oordeelde de Raad dat appellant niet als ingezetene kon worden beschouwd in de betwiste periode en bevestigde de korting op het AOW-pensioen. Het hoger beroep werd verworpen en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: De korting op het AOW-pensioen wegens niet-ingezetenschap in de periode mei 2005 tot augustus 2009 wordt bevestigd.