Uitspraak
3 december 2013, 13/685 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij zwart werk verrichtten, stelde het college een onderzoek in dat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten over de periode 1 januari 2004 tot 1 oktober 2012.
De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode tot 4 januari 2005, maar handhaafde het voor de periode daarna. Het college nam daarop nieuwe besluiten tot intrekking en terugvordering voor de periode vanaf 4 januari 2005.
De Raad oordeelt dat appellanten de inlichtingenplicht hebben geschonden door het niet melden van betaalde werkzaamheden als hulp in de huishouding, kinderoppas en tuinwerkzaamheden. Appellant voerde aan dat zijn tuinwerkzaamheden incidenteel waren, maar dit werd verworpen omdat deze regelmatig en tegen substantiële vergoeding werden verricht.
Appellanten konden het recht op bijstand niet aantonen omdat zij geen administratie bijhielden en onvoldoende objectieve gegevens overlegden. De Raad bevestigt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en verklaart de beroepen tegen de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten ongegrond.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van betaalde werkzaamheden worden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.