ECLI:NL:CRVB:2015:83
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding reis- en verblijfkosten zorgverleners uit pgb
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorgfuncties in 2011. Het zorgkantoor wees een deel van de verantwoorde kosten af, met name de reis- en verblijfkosten van zorgverleners die familie van appellant zijn, omdat deze volgens de Vergoedingenlijst niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens het ontbreken van een hoorzitting, maar liet de inhoudelijke beslissing in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat een medewerker van het zorgkantoor telefonisch had bevestigd dat de reis- en verblijfkosten van zijn zorgverleners uit het pgb mochten worden betaald.
De Raad oordeelde dat een dergelijk beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slaagt bij uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen. De verklaring van de gemachtigde van appellant was onvoldoende concreet en overtuigend om een gerechtvaardigde verwachting te wekken. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de vergoeding van deze kosten en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de reis- en verblijfkosten van familieleden als zorgverleners niet uit het pgb vergoed mogen worden.