ECLI:NL:CRVB:2015:886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2015
Publicatiedatum
24 maart 2015
Zaaknummer
13-3664 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om kwijtschelding van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 23 maart 2015 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De appellant had verzocht om kwijtschelding van het restantbedrag van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, die door het Uwv was teruggevorderd. De terugvordering was gebaseerd op schending van de inlichtingenplicht. De appellant had vanaf 2004 maandelijks aflossingen verricht, maar het Uwv weigerde het verzoek om kwijtschelding omdat de appellant niet constant had afgelost en had verzuimd te melden dat de inhouding op zijn uitkering niet was voortgezet toen hij overging van een WW-uitkering naar een ZW-uitkering. De Raad oordeelde dat de appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de Beleidsregels en dat er geen reden was om hiervan af te wijken. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het Uwv terecht had gehandeld.

Uitspraak

13/3664 WAO
Datum uitspraak: 23 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
31 mei 2013, 12/1164 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. J. van de Wiel, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 2 februari 2004 heeft het Uwv over de periode van 21 augustus 1997 tot en met 31 december 2000 een bedrag van € 26.236,44 aan onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant teruggevorderd. De terugvordering is gebaseerd op schending van de inlichtingenplicht.
1.2.
Vanaf 2004 heeft appellant nagenoeg maandelijks aflossingen verricht, waardoor de hoogte van het terugvorderingsbedrag is verlaagd. De aflossing vond plaats doordat appellant zelf maandelijks afloste indien hij werkzaamheden verrichtte, of door middel van inhouding op zijn uitkering indien appellant zich in een uitkeringssituatie bevond.
1.3.
Vanaf 1 oktober 2008 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en vanaf 12 juli 2010 heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.
1.4.
Appellant heeft bij brief van 8 november 2011 verzocht om kwijtschelding van het restantbedrag van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering, waarbij hij heeft aangevoerd dat hij vanaf 2004 zijn schulden afbetaalt en niet in staat is verder af te lossen.
1.5.
Bij besluit van 21 november 2011 heeft het Uwv het verzoek van appellant om kwijtschelding van het (resterende) terugvorderingsbedrag afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 19 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv niet overeenkomstig het doel van de Beleidsregel terug- en invordering (Besluit van het Lisv van 31 maart 1999, gepubliceerd in Stcrt. 1999, 75; hierna: de Beleidsregel) handelt. Appellant heeft zowel de helft van de vordering betaald, als vijf jaar lang betaald. Slechts het feit dat hij niet onafgebroken heeft betaald wordt hem tegengeworpen. Het Uwv had appellants verzoek om kwijtschelding moeten honoreren door af te wijken van de Beleidsregel, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij wijst appellant enerzijds op de handelwijze van het Uwv, die heeft verzuimd de inhouding op de onder 1.3 genoemde WW-uitkering in de periode van het ontvangen van ZW-uitkering (dat wil zeggen in de periode van 12 juli 2010 tot 16 mei 2011) voort te zetten, en anderzijds op zijn psychische gesteldheid.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Het Uwv heeft het verzoek om kwijtschelding afgewezen op de grond dat appellant niet constant heeft afgelost, alsmede op de grond dat appellant heeft verzuimd te vermelden dat de inhouding op de uitkering niet is gecontinueerd op het moment dat de WW-uitkering per
12 juli 2010 overging in een ZW-uitkering.
4.2.
Ingevolge artikel 57, tweede lid, aanhef en onder a, van de WAO, voor zover hier van belang, kan het Uwv besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.
4.3.
Ter zake van deze bevoegdheid voert het Uwv een beleid overeenkomstig de op 1 juli 1999 inwerking getreden Beleidsregel. Dit beleid is blijkens artikel 1 van de Beleidsregel neergelegd in de bijlage bij de Beleidsregel. Ingevolge het bepaalde onder 4.1.2 van deze bijlage, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv bij vorderingen die het gevolg zijn van overtreding van de inlichtingenplicht ambtshalve of van verdere terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en
b. tenminste de helft van de vordering is voldaan.
4.4.
Niet in geschil is dat appellant gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en dat ten tijde van het bestreden besluit tenminste de helft van de terugvordering is afbetaald. Evenmin is in geschil dat appellant niet altijd volledig heeft betaald. De ter zitting door appellant genoemde omstandigheid dat de reden daarvan is dat hij destijds verschillende werkgevers had waardoor hij niet steeds tijdig over loonstroken beschikte, doet daar niet aan af. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het Uwv het besluit om appellants verzoek om kwijtschelding van de resterende schuld af te wijzen in overeenstemming met het onder 4.3 weergegeven beleid heeft genomen. In onderdeel 4.2 van het Beleid is bepaald dat de schuldenaar door niet conform de vastgestelde termijnen te betalen, de mogelijkheid verspeelt dat het Uwv afziet van verdere terugvordering. Als de schuldenaar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald kan het Uwv besluiten toch af te zien van verdere terugvordering. Het Uwv maakt eenmalig van deze bevoegdheid gebruik als:
a. de achterstand niet meer dan zes maanden bedraagt én
b. het verzoek is gedaan binnen zes maanden nadat de schuldenaar voor het eerst niet meer aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan én
c. de achterstand met rente en kosten wordt betaald binnen drie maanden nadat de uitvoeringsinstelling aan de schuldenaar heeft opgegeven hoeveel hij moet betalen.
Vaststaat dat appellant niet heeft voldaan aan de onder a, b en c genoemde voorwaarden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het Uwv onder andere in de bijlage bij het invorderingsbesluit van 29 mei 2009 aan appellant kenbaar heeft gemaakt hoe de invordering van een terugvordering (wettelijk) geregeld is. Nu niet ter discussie staat dat appellant niet aan de in de Beleidsregel genoemde voorwaarden heeft voldaan, en in het Beleid geen uitzonderingsmogelijkheden zijn opgenomen, kan niet gezegd worden dat het Uwv niet overeenkomstig de Beleidsregel heeft gehandeld. Dat in het Beleid is opgenomen dat het Uwv aansluit bij het uitgangspunt van de WSNP dat het onwenselijk is om debiteuren langer dan drie jaar terug te werpen op een (gezins)inkomen op of net boven het bestaansminimum, maakt dit niet anders, nu de termijn van drie jaar geldt voor situaties waarbij - in tegenstelling tot de situatie van appellant - de terugvordering niet het gevolg is van overtreding van de inlichtingenplicht.
4.5.
Voorts ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd over bijzondere omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het Uwv, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Awb, in afwijking van de Beleidsregel de restvordering geheel of gedeeltelijk had moeten kwijtschelden. Met betrekking tot de door appellant aangevoerde handelwijze van het Uwv dat de inhouding op zijn uitkering niet is gecontinueerd nadat de WW-uitkering een ZW-uitkering werd, acht de Raad van belang dat de ZW-uitkering substantieel hoger was dan de WW-uitkering waardoor het appellant had moeten opvallen dat zijn aflossingscapaciteit hoger werd. Daaraan doet niet af dat de WW-uitkering maandelijks en de ZW-uitkering wekelijks werd betaald. Daarbij is appellant er in diverse brieven op gewezen dat hij wijzigingen moet doorgeven. Ook in de psychische gesteldheid van appellant, zoals verwoord in het rapport van psychiater M. Kazemier van 23 oktober 2011 en de brieven van psychiater D.E.R. Vandenberghe van 15 januari 2012 en 25 juni 2012, ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Het Uwv heeft in zijn rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juni 2012, 7 augustus 2012, 26 oktober 2012, 12 november 2013 en 29 januari 2015 voldoende onderbouwd dat appellant, ondanks verminderde cognitieve functies, niet in een zodanig slechte psychische toestand verkeerde dat hij buiten staat was om zijn belangen te behartigen. Daarbij is ook van belang dat appellant in juli 2010, ten tijde van de overgang van de WW- naar de ZW-uitkering, niet onder behandeling van een psychiater stond. Ten slotte wijst de Raad er op dat appellant zich al eerder niet aan betalingsregelingen heeft gehouden.
4.6.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en C.P.J. Goorden en
J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) J.R. van Ravenstein

NW