Appellant vroeg op 24 november 2009 een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de voorgestelde functies voldeden aan zijn behoefte aan feitelijke begeleiding en sturing.
De Raad stelde vast dat de arbeidskundige onderbouwing van het UWV onvoldoende was, ondanks een tussenuitspraak waarin het UWV was opgedragen dit te verbeteren. Het UWV volstond met algemene opmerkingen over de functies en kon niet aantonen dat de begeleiding voldeed aan de specifieke beperkingen van appellant.
De Raad besloot daarom zelf in de zaak te voorzien, het eerdere besluit te herroepen en appellant toe te kennen dat hij vanaf zijn 18e jaar recht heeft op een Wajong-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Tevens werd het UWV veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten.