ECLI:NL:CRVB:2015:945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand van verschillende gemeenten, waarbij discussie ontstond over hun gezamenlijke huishouding en woonplaats in de periode van 19 februari 2009 tot 3 januari 2012. De sociale recherche voerde onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand, wat leidde tot intrekkings- en terugvorderingsbesluiten door de colleges van burgemeester en wethouders van Medemblik en Drechterland.
De rechtbank oordeelde dat appellanten feitelijk een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellante, ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven. Dit oordeel was gebaseerd op getuigenverklaringen, waarnemingen van de sociale recherche en telefoononderzoek. De rechtbank verwierp de stellingen van appellanten dat appellant niet op het adres van appellante woonde.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het hoofdverblijf van appellanten in de woning van appellante was en dat appellant zijn woonplaats niet in Drechterland had. De Raad wijst erop dat verbruiksgegevens van een andere woning geen bewijs vormen voor een andere woonplaats. De aangevallen uitspraken worden bevestigd, waarbij de uitspraak over appellant wordt verbeterd in de motivering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en woonplaats op het adres van appellante.