ECLI:NL:CRVB:2015:95

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2015
Publicatiedatum
21 januari 2015
Zaaknummer
13-643 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 WW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering overname betalingsverplichtingen werkgeefster wegens ontbreken resterende loonvordering

Appellant was van mei 2010 tot mei 2011 werkzaam bij een besloten vennootschap die in augustus 2011 failliet werd verklaard. Hij verzocht het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgeefster jegens hem over te nemen. Het UWV besloot dit niet te doen, omdat het uitging van het sociale verzekeringsloon zoals vermeld op de loonafrekeningen en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij een hoger nettoloon plus aparte reiskostenvergoeding ontving.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij recht had op een nettoloon van €1.500 exclusief reiskostenvergoeding en overlegde bankafschriften ter onderbouwing. Het UWV erkende dat appellant maandelijks €1.500 netto ontving en daarnaast variabele reiskostenvergoeding, conform de arbeidsovereenkomst.

De Raad concludeerde dat de werkgeefster aan haar verplichtingen had voldaan door het nettoloon en de reiskostenvergoeding te betalen. Er was geen resterende loonvordering, zodat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het UWV om betalingsverplichtingen over te nemen wordt bevestigd.

Uitspraak

13/643 WW
Datum uitspraak: 21 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
20 december 2012, 12/1188 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is van 3 mei 2010 tot en met 5 mei 2011 werkzaam geweest bij [de besloten vennootschap] (werkgeefster), die op 16 augustus 2011 in staat van faillissement is verklaard. Appellant heeft het Uwv op 28 november 2011 gevraagd om de betalingsverplichtingen van de werkgeefster jegens hem over te nemen. Het Uwv heeft hierop beslist bij besluit van
16 december 2011 en, na bezwaar, bij beslissing op bezwaar van 16 april 2012 (bestreden besluit). Het Uwv heeft met toepassing van artikel 64 van Pro de Werkloosheidswet (WW) vorderingen overgenomen ter zake van vakantiegeld, vakantiedagen, Atv-dagen, reiskosten, onkostenvergoeding voor thuiswerk en loon over april 2011 en aan appellant een uitkering toegekend. Bij het bepalen van de hoogte van de aan appellant toekomende uitkering is het Uwv ervan uitgegaan dat appellant niet, zoals hij had gesteld, recht had op een loon van
€ 1.500,- netto per maand, vermeerderd met een reiskostenvergoeding van € 200,- per maand, maar op € 1.604,20 bruto per maand, welk bedrag als loon voor de sociale verzekeringswetten (sv-loon) was vermeld op de loonafrekeningen.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv mocht uitgaan van het sv-loon, zoals door de werkgeefster vermeld op de loonafrekeningen, en dat appellant niet heeft aangetoond dat hij maandelijks een nettosalaris van € 1.500,- ontving, met daarbij nog een afzonderlijke reiskostenvergoeding van € 200,-.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald, dat hij een nettoloon van
€ 1.500,- exclusief reiskostenvergoeding was overeengekomen met de werkgeefster. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op reeds bij zijn aanvraag overgelegde bankafschriften, waaruit dat blijkt. Appellant heeft daarnaast ook in hoger beroep aangevoerd dat hij recht had op een reiskostenvergoeding.
3.2.
Het Uwv heeft de juistheid van het in 3.1 weergegeven standpunt van appellant ten aanzien van het nettoloon van € 1.500,- ter zitting van de Raad erkend. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat uit de bankafschriften blijkt, dat appellant naast de maandelijkse betaling van een nettoloon van € 1.500,- ook een per maand variërend bedrag aan reiskosten ontving, zoals in de arbeidsovereenkomst was overeengekomen. Daaraan heeft het Uwv de conclusie verbonden dat de werkgeefster aan haar verplichtingen heeft voldaan, zodat geen vordering resteert.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.1.
In artikel 8 van Pro de tussen appellant en de werkgeefster gesloten arbeidsovereenkomst, is voor zover van belang, bepaald dat bij indiensttreding het netto maandsalaris van appellant
€ 1.500,- bedraagt.
4.2.2.
In artikel 9 van Pro die arbeidsovereenkomst is, voor zover van belang, bepaald dat appellant recht heeft op vergoeding van onkosten die de uitvoering van zijn functie meebrengt. De onkosten die hiervoor in aanmerking komen zijn onder meer reiskosten. De onkostenvergoedingen worden na goedkeuring van de declaratie tegelijk met het maandsalaris uitbetaald.
4.3.
Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat de werkgeefster in overeenstemming met de hierboven weergegeven bepalingen uit de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld, door maandelijks een nettobedrag van € 1.500,- aan salaris aan appellant te betalen en daarnaast een in hoogte variërend bedrag aan reiskosten. Niet gebleken is dat te weinig aan reiskosten is uitbetaald. Het nadere standpunt van het Uwv dat onder deze omstandigheden van een resterende loonvordering geen sprake kan zijn, is dan ook juist.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en C.C.W. Lange en
A. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) B. Fotchind
nk