ECLI:NL:CRVB:2015:95
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- C.C.W. Lange
- A. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering overname betalingsverplichtingen werkgeefster wegens ontbreken resterende loonvordering
Appellant was van mei 2010 tot mei 2011 werkzaam bij een besloten vennootschap die in augustus 2011 failliet werd verklaard. Hij verzocht het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgeefster jegens hem over te nemen. Het UWV besloot dit niet te doen, omdat het uitging van het sociale verzekeringsloon zoals vermeld op de loonafrekeningen en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij een hoger nettoloon plus aparte reiskostenvergoeding ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij recht had op een nettoloon van €1.500 exclusief reiskostenvergoeding en overlegde bankafschriften ter onderbouwing. Het UWV erkende dat appellant maandelijks €1.500 netto ontving en daarnaast variabele reiskostenvergoeding, conform de arbeidsovereenkomst.
De Raad concludeerde dat de werkgeefster aan haar verplichtingen had voldaan door het nettoloon en de reiskostenvergoeding te betalen. Er was geen resterende loonvordering, zodat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van het UWV om betalingsverplichtingen over te nemen wordt bevestigd.