ECLI:NL:CRVB:2015:950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met kennis
Appellant vroeg op 1 juni 2013 bijstand aan als alleenstaande en gaf op dat hij alleen woonde. Tijdens het intakegesprek gaf hij aan bij een kennis in te wonen en kosten te delen. De gemeente Amsterdam onderzocht de situatie en concludeerde dat appellant en de kennis een gezamenlijke huishouding voerden, waarop de bijstand werd afgewezen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat geen sprake was van wederzijdse zorg en dat de relatie commercieel was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op basis van objectieve criteria, waaronder gedeelde huishoudelijke taken en wederzijdse zorg, wel degelijk sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp het verweer dat de zorg slechts uit medemenselijkheid bestond en stelde dat de feitelijke situatie een mate van verbondenheid en verantwoordelijkheid toont die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met een kennis.