De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft inzake bijstandsverlening aan appellant. In een eerdere tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd moesten worden en dat het college opnieuw moest beslissen over de bezwaren van appellant.
Het college heeft vervolgens een nadere beslissing genomen waarin het bezwaar deels werd gehonoreerd, de bijstand over de maanden maart tot en met oktober 2010 werd herzien en een bedrag van €3.649,28 werd teruggevorderd. Tevens werd vastgesteld dat appellant met een storting van €6.500 in oktober 2010 het vrij te laten vermogen volledig had benut, waardoor dit vanaf dat moment nihil was.
Appellant voerde aan dat het college ten onrechte stelde dat de herkomst van de kasstortingen niet kon worden vastgesteld en dat de terugvordering onvoldoende was gemotiveerd. De Raad oordeelde echter dat het college met het nadere besluit de opdracht uit de tussenuitspraak juist had uitgevoerd en dat de berekening van de terugvordering was gevoegd en niet onjuist was gebleken.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het besluit van 23 september 2011 wegens strijd met de Awb, verklaarde het beroep gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. Het college werd veroordeeld in de kosten van appellant en diende het betaalde griffierecht te vergoeden.