ECLI:NL:CRVB:2014:3416
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking bijstand wegens onduidelijke kasstortingen en overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een heronderzoek constateerde het college dat appellant in de periode van maart 2010 tot maart 2011 regelmatig contante bedragen op zijn bankrekening had gestort, in totaal €9.220,-, zonder deze kasstortingen te melden. Het college trok de bijstand over diverse perioden in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college het recht op bijstand over een deel van de periode ten onrechte volledig heeft ingetrokken omdat de kasstortingen de toepasselijke bijstandsnorm niet te boven gingen. De Raad stelt dat het college het recht op aanvullende bijstand moet vaststellen en de terugvordering moet aanpassen.
Verder oordeelt de Raad dat de toerekening van twee kasstortingen van €6.500,- in oktober 2010 aan de periode december 2010 tot maart 2011 onvoldoende is onderbouwd. Dit bedrag moet worden toegevoegd aan het vermogen van appellant, waarna het college moet onderzoeken of dit gevolgen heeft voor de bijstandsverlening.
De Raad vernietigt het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering en strijd met het motiveringsbeginsel en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met ontbrekende bankafschriften en het vermogen van appellant bij aanvang van de bijstand.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.