ECLI:NL:CRVB:2015:999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om kwijtschelding restschuld bijstand na schadevergoeding
Appellant ontving sinds 1994 bijstand, aanvankelijk om niet, later als geldlening vanwege een te ontvangen schadevergoeding. Na ontvangst van een schadevergoeding van €179.311,25 in 2002, werd de bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten teruggevorderd tot een bedrag van €91.898,53. Diverse verzoeken om kwijtschelding van deze schuld werden door het college afgewezen, omdat appellant beschikte over vermogen om de schuld ineens te voldoen.
In 2012 verzocht appellant opnieuw om kwijtschelding, maar het college wees dit verzoek af omdat geen relevante wijziging in omstandigheden was aangetoond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd verwezen naar eerdere jurisprudentie.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college geen aflossingsregeling heeft getroffen en dat de aangehaalde eerdere uitspraak van de Raad geen rechtskracht heeft. De Raad oordeelde dat het op de verzoeker rust om een relevante wijziging aan te tonen en dat dit niet is gelukt. Ook de gestelde niet tot stand gekomen aflossingsregeling en het ontbreken van ondertekening van eerdere uitspraken leiden niet tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de restschuld wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.