Uitspraak
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft zich op 31 oktober 2013 gemeld voor bijstand en op 16 december 2013 een aanvraag ingediend met terugwerkende kracht tot die datum. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling omdat appellante niet binnen de gestelde termijn de benodigde bewijsstukken aanleverde. Na bezwaar leverde appellante de gegevens alsnog op 17 februari 2014 in, waarna het college bijstand toe kende vanaf die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de hersteltermijn verlengd had moeten worden en dat de bijstand met terugwerkende kracht tot 31 oktober 2013 had moeten ingaan. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en dat appellante tijdig op de brief had kunnen reageren, maar dit niet deed.
Verder oordeelde de Raad dat de aanvraag van 17 februari 2014 als een nieuwe aanvraag moest worden gezien en dat de bijstand daarom pas vanaf die datum kon ingaan. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een terugwerkende kracht rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van de bijstand vastgesteld op 17 februari 2014.