Uitspraak
5 maart 2014, 13/6105 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 2004 bijstand. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant sinds 2009 als directeur van een uitzendbureau actief was en omzet behaalde, maar deze inkomsten niet aan het college had gemeld. Het college trok daarom de bijstand met ingang van 1 januari 2013 in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand over de periode 1 juni 2009 tot 31 december 2012 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door zijn werkzaamheden en omzet niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellant slaagde er niet in met objectieve gegevens inzicht te geven in zijn inkomsten.
De Raad stelde vast dat het college op grond van de WWB bevoegd was de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De wijze van uitoefening van deze bevoegdheid werd niet bestreden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.