ECLI:NL:CRVB:2016:1010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering persoonsgebonden budget wegens niet-verantwoorde zorg in voorgaand jaar
Appellant kreeg in 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend door het Zorgkantoor, met daarbij de verplichtingen die aan het pgb verbonden zijn. Voor 2014 weigerde het Zorgkantoor het pgb toe te kennen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van het pgb in 2013. Er waren geen urendeclaraties of nota’s overgelegd waaruit blijkt dat zorg is betaald, en bankafschriften toonden geen betalingen aan zorgverleners.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat hij AWBZ-zorg had ontvangen en betaald. De Raad beoordeelde dat de zorg die appellant’s moeder verleende, zoals administratie en huishoudelijke hulp, niet onder AWBZ-zorg valt. Door het ontbreken van bewijs van betaling en facturatie van AWBZ-zorg was het Zorgkantoor terecht gehouden het pgb voor 2014 te weigeren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Raad op 24 februari 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb voor 2014 wegens niet-naleving van pgb-verplichtingen in 2013.