ECLI:NL:CRVB:2016:1016
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating maatschappelijke opvang wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellant, een Irakese nationaliteitdragende persoon die sinds 2008 in Nederland verblijft, verzocht op 28 december 2012 het college van burgemeester en wethouders van Almelo om hulp in de vorm van vergoeding voor huur en leefgeld, opgevat als aanvraag tot maatschappelijke opvang onder de Wmo. Het college nam het verzoek niet in behandeling en verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef, waardoor geen aanspraak op maatschappelijke opvang bestond.
De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwierp zijn beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikelen 13 en 31 van het Europees Sociaal Handvest. De rechtbank vond dat ondanks het feit dat appellant tot de kwetsbare personen behoort, de weigering een fair balance vormde tussen publieke en particuliere belangen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat de periode van beoordeling loopt van aanvraag tot beslissing op bezwaar en dat appellant in die periode geen rechtmatig verblijf had. De opschorting van uitzetting maakt dit niet anders. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt omdat de Raad zich verenigt met de rechtbank die een ruime margin of appreciation toekent aan de staat en het belang hecht aan de illegale verblijfsstatus. Ook het beroep op het Europees Sociaal Handvest wordt afgewezen omdat deze verdragsbepalingen niet als een ieder verbindende bepalingen gelden. Het hoger beroep wordt afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om maatschappelijke opvang bevestigd vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.