ECLI:NL:CRVB:2014:1995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op maatschappelijke opvang voor staatloze vreemdeling met medische en juridische belemmeringen
Betrokkene, een staatloze Palestijn zonder rechtmatig verblijf, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees dit af vanwege zijn ongewenstverklaring en het bestaan van voorliggende voorzieningen zoals opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en oordeelde dat hij vanwege zijn ernstige medische situatie en uitzichtloze verblijfspositie recht heeft op maatschappelijke opvang. De rechtbank baseerde zich daarbij op artikel 8 EVRM Pro, dat bescherming biedt aan kwetsbare personen tegen aantasting van hun privé- en gezinsleven.
In hoger beroep voerde appellant aan dat opvang primair een taak van de centrale overheid is en dat maatschappelijke opvang slechts tijdelijk kan zijn. De Raad stelde vast dat de COa slechts in zeer bijzondere gevallen opvang kan bieden en dat de Wmo opvang kan worden verleend zolang niet vaststaat dat betrokkene Nederland kan verlaten.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat betrokkene vanwege zijn combinatie van medische, juridische en persoonlijke omstandigheden tot de kwetsbare categorie behoort die recht heeft op maatschappelijke opvang. De Raad veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten en bepaalde dat het griffierecht wordt geheven.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo en veroordeelt appellant in de proceskosten.