ECLI:NL:CRVB:2016:1021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor niet afsluiten zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet
Appellant werd door het Zorginstituut schriftelijk gemaand om een zorgverzekering af te sluiten op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Na het uitblijven van een verzekering legde het Zorginstituut een boete van €369,51 op. Appellant maakte bezwaar tegen deze boete, dat door het Zorginstituut werd afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsplicht niet in strijd is met internationale verdragsbepalingen zoals het IVBPR en het EVRM.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en voerde aan dat de verzekeringsplicht strijdig zou zijn met bepalingen van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Tevens verzocht appellant om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat de Zvw niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt en dat het Handvest daarom niet van toepassing is op deze nationale regeling.
De Raad oordeelde dat er geen strijd is met de genoemde verdragsbepalingen en dat het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen niet aan de orde is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en het beroep van appellant werd afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering en wijst het beroep van appellant af.