Appellant ontvangt een WAO-uitkering met toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV beëindigde de toeslag per 25 januari 2011 en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, omdat appellant volgens het UWV ongehuwd samenwoonde met een ander en hun gezamenlijke inkomen het minimumloon overschreed. Tevens legde het UWV een boete op wegens het niet doorgeven van deze samenwoning.
Appellant betwistte de gezamenlijke huishouding en stelde dat sprake was van een kostgangersrelatie. Het UWV baseerde haar besluit op onder meer een telefoongesprek en een hoorzitting, waarin werd gesteld dat sprake was van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling. Appellant voerde aan dat hij vanwege een conflict met banken geen eigen rekening kon openen en daarom de rekening van de ander gebruikte, zonder dat sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie van appellant en de ander uitstijgt boven een kostgangersrelatie en dat er geen sprake is van wederzijdse zorg die een gezamenlijke huishouding rechtvaardigt. De intrekking van de toeslag, terugvordering en boete zijn daarom onterecht. De aangevallen uitspraken en besluiten worden vernietigd en de primaire besluiten herroepen. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.