ECLI:NL:CRVB:2016:1052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen onroerend goed in Turkije
Appellante ontving vanaf december 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Tijdens een themacontrole naar buitenlands vermogen werd vastgesteld dat zij onroerend goed in Turkije bezit, wat zij niet aan het college had gemeld. Het college trok daarom de bijstand per 13 augustus 2013 in wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onroerend goed aan haar ooms toebehoorde, dat een aannemer eigenaar was van een deel en dat zij het geregistreerde deel op grond van erfrecht moest delen met haar broers en zusters. Deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt. Het eigendomsregister en overgelegde documenten toonden aan dat zij daadwerkelijk eigenaar was van delen van het onroerend goed.
De Raad oordeelde dat de registratie in het officiële eigendomsregister een sterke aanwijzing is dat het onroerend goed tot het vermogen van appellante behoort en dat het aan haar is om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit is niet gelukt. Daarom is de intrekking van de bijstand terecht en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet melden van onroerend goed in Turkije wordt bevestigd.