ECLI:NL:CRVB:2016:1103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van dagloonberekening WW zonder toepassing dagloongarantie bij werk-naar-werk overgang
Appellant was sinds 1 juni 2010 werkzaam bij een eerste werkgever en beëindigde deze dienstbetrekking per 31 mei 2013. Vervolgens trad appellant op 3 juni 2013 in dienst bij een tweede werkgever, waarvan het dienstverband op 15 juni 2013 eindigde. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die werd vastgesteld op basis van het loon bij de laatste werkgever. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het dagloon hoger moest worden vastgesteld op grond van de dagloongarantie. Het UWV wees het bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de wijziging van artikel 12 van Pro het Dagloonbesluit per 1 juni 2013 de dagloongarantie beperkt tot werknemers die vanuit werkloosheid een nieuwe baan aanvaarden en binnen een bepaalde termijn opnieuw werkloos worden. Werknemers die zonder tussenliggende werkloosheid van baan wisselen, komen niet voor de dagloongarantie in aanmerking. Dit is een bewuste keuze van de wetgever gericht op vereenvoudiging en uitvoerbaarheid.
De Raad oordeelde dat deze regeling niet in strijd is met het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 26 IVBPR Pro of artikel 14 EVRM Pro. Er is geen sprake van ontneming van bestaand eigendomsrecht of legitieme verwachting. Ook is onvoldoende bewijs voor indirecte discriminatie. Appellant viel niet onder de beschermde groep omdat hij na beëindiging van de eerste dienstbetrekking geen WW-uitkering had ontvangen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De dagloonberekening is terecht gebaseerd op het loon van de laatste dienstbetrekking zonder toepassing van de dagloongarantie.