Appellante vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voorzieningen aan voor hulp bij het huishouden, periodiek deur tot deur vervoer en een scootmobiel. Het college wees deze verzoeken af, waarna appellante bezwaar maakte en beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de toekenning van 3 uur hulp bij het huishouden passend was. Appellante stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was omdat recente informatie van haar behandelaars ontbrak, en dat zij niet in staat was tot de genoemde afstanden lopen en fietsen.
De Raad constateerde dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was omdat de medisch adviseur de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van medische informatie bij appellante legde, terwijl zij beperkingen heeft in regievoering. Desondanks bleek uit aanvullende medische stukken dat de beperkingen niet waren onderschat en dat het college het besluit om geen vervoersvoorziening toe te kennen kon handhaven. Ook de toekenning van hulp bij het huishouden werd voldoende geacht. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.