ECLI:NL:CRVB:2016:1138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek loskoppeling inkomen vader bij aanvullende beurs
Appellant verzocht om loskoppeling van het inkomen van zijn vader bij de vaststelling van de aanvullende beurs, omdat hij stelde dat de alimentatie niet inbaar was. De minister wees dit verzoek aanvankelijk af, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, met verwijzing naar het Besluit studiefinanciering 2000 dat loskoppeling niet verder dan twee jaar voor het verzoek kan terugwerken.
In hoger beroep stelde appellant dat hij al in 2008 een verzoek had ingediend waarop nooit een besluit was genomen, en dat hij nooit alimentatie had ontvangen. De minister wijzigde daarop het besluit deels, maar handhaafde de veronderstelde ouderlijke bijdrage over een deel van de periode. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de alimentatie niet inbaar was, omdat geen bewijs was geleverd van daadwerkelijk en tevergeefs incasseren gedurende minimaal een jaar.
De Raad vernietigde het eerdere besluit voor zover het de periode vanaf 1 augustus 2011 betrof, maar verklaarde het beroep tegen de latere besluiten ongegrond. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen de besluiten van 20 en 27 maart 2015 wordt ongegrond verklaard en het eerdere besluit van 20 december 2013 wordt vernietigd voor zover aangevochten.