ECLI:NL:RBZWB:2025:9059

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/7357
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de rechtmatigheid van het in mindering brengen van alimentatie op de aanvullende beurs van een studente

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 18 december 2025, wordt de zaak behandeld van een studente (eiseres) die het niet eens is met de beslissing van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) om alimentatie in mindering te brengen op haar aanvullende beurs voor studiefinanciering. Eiseres heeft in 2019 studiefinanciering aangevraagd en in 2020 een aanvullende beurs ontvangen. In 2024 heeft DUO het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, omdat de alimentatie die haar vader moet betalen, volgens de wet in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de aanvullende beurs. Eiseres stelt dat zij de alimentatie nooit heeft ontvangen en dat haar vader onvindbaar is. De rechtbank oordeelt dat DUO terecht de alimentatie in mindering heeft gebracht, omdat eiseres niet voldoende heeft aangetoond dat de alimentatie oninbaar is. De rechtbank wijst erop dat eiseres geen deurwaarder heeft ingeschakeld om de alimentatie te innen en dat er mogelijkheden zijn om de verblijfplaats van haar vader te achterhalen. De rechtbank concludeert dat het beroep van eiseres ongegrond is en dat DUO de alimentatie terecht heeft meegenomen in de berekening van de aanvullende beurs. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7357 WSFBSF

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] , eiseres
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het in mindering brengen van alimentatie op de aanvullende beurs van de studiefinanciering van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of DUO terecht de alimentatie in aanmerking heeft genomen bij de aanspraak op aanvullende beurs.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat DUO de alimentatie terecht in mindering heeft gebracht op de aanvullende beurs van eiseres. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Het bestreden besluit, het wettelijk kader en de beroepsgronden staan onder 4 tot en met 6. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 september 2024 heeft DUO het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. DUO heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar vriend [naam] . Met behulp van een beeldverbinding is mr. M.M. Remmelts namens DUO verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiseres heeft op 29 december 2019 een aanvraag voor studiefinanciering ingediend en toegekend gekregen. Op 12 februari 2020 heeft eiseres een aanvullende beurs aangevraagd en toegekend gekregen.
3.1.
Op 29 oktober 2023 heeft eiseres een verzoek ingediend om het inkomen van haar vader buiten beschouwing te laten. Bij deze aanvraag zijn gevoegd e-mails van een medewerker Jeugdbescherming en een brief van eiseres zelf. Het inkomen van de vader van eiseres is met het primaire besluit van 7 mei 2024 per 1 december 2021 buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de aanvullende beurs, omdat is gebleken van een langdurig ernstig verstoorde ouder-kindrelatie (de zogenoemde loskoppeling). De in 2006 vastgestelde alimentatie van € 150,- per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering, wordt tot het bereiken van de 21-jarige leeftijd in de plaats gesteld van de veronderstelde ouderbijdrage. Dit leidt ertoe dat een bedrag van € 4.296,84 op de restschuld van eiseres in mindering is gebracht.
3.2.
Tegen het primaire besluit van 7 mei 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat zij de alimentatie niet van haar vader heeft ontvangen. Dit bezwaar heeft DUO ongegrond verklaard op 16 september 2024.
3.3.
Met besluiten van 17 maart 2025 is de studiefinanciering over 2021 vastgesteld, waarbij is uitgegaan van de inkomensgegevens van de vader van eiseres. Gebleken is dat eiseres over december 2021 een hogere aanvullende beurs ontvangt, als deze inkomensgegevens wel in aanmerking worden genomen. Daarom is besloten om de inkomensgegevens van haar vader niet per december 2021 buiten beschouwing te laten, maar per januari 2022.
Bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft DUO ten grondslag gelegd dat bij de echtscheiding van de ouders van eiseres is vastgesteld dat haar vader alimentatie moet betalen en dat niet is gebleken dat de alimentatie oninbaar is. Het was de verantwoordelijkheid van eiseres om het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) in te schakelen, toen haar vader niet betaalde.
Wettelijk kader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
6. Eiseres stelt dat haar restschuld te groot is. Zij heeft nooit alimentatie ontvangen van haar vader. Eiseres heeft contact opgenomen met het LBIO, maar zij hebben aangegeven niet te kunnen helpen omdat eiseres de leeftijd van 21 jaar al heeft bereikt. Het LBIO geeft aan dat eiseres een deurwaarder moet inschakelen, maar dat is niet mogelijk omdat zij niet weet waar haar vader verblijft. Daarnaast is zij in de schulden gekomen, omdat zij zelf de kosten moest dragen. Eiseres heeft veel moeite moeten doen om de echtscheidingspapieren te ontvangen.
Oordeel van de rechtbank
7. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een langdurig ernstig verstoorde ouder-kindrelatie, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a, van het Bsf 2000. Wel in geschil is of de alimentatie op de aanvullende beurs in mindering kan worden gebracht.
7.1.
In artikel 6, eerste lid onder a, van het Bsf 2000 is bepaald dat aanspraak op een aanvullende beurs bestaat, indien sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen de ouder en de studerende. Daarmee is niet gezegd dat het in dat geval gaat om volledige aanspraak, dat wil zeggen met voorbijgaan aan de mate waarin de studerende als behoeftig is aan te merken. Dit kan zijn beperkt door de vastgestelde verplichting van de desbetreffende ouder tot betaling van alimentatie aan/voor de studerende. In artikel 12 van het Bsf 2000 is bepaald dat, indien een studerende van zijn ouder alimentatie ontvangt, het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de studerende in de plaats komt van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Volgens vaste rechtspraak [1] over de toepassing van artikel 6, eerste lid onder d, van het Bsf 2000, in samenhang met artikel 12 van het Bsf 2000, is de loskoppeling uitdrukkelijk niet bedoeld om zo ver te gaan dat de ouder met wie een conflict bestaat, ongeacht zijn inkomen, in het geheel geen bijdrage hoeft te leveren, terwijl de ouder met wie zo’n conflict niet bestaat daarin wel, naar vermogen, moet bijdragen. Indien de vastgestelde alimentatie minder bedraagt dan de aanvullende beurs waarop in beginsel aanspraak bestaat, rest er nog een tot dat verschil beperkte aanvullende beurs toe te kennen. Indien die alimentatie gelijk of hoger is, dan leidt dat tot weigering van de gevraagde aanvullende beurs.
7.2.
Op 11 september 2006 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen de ouders van eiseres uitgesproken en daarbij bepaald dat de alimentatie die de vader moet betalen € 150,- per maand bedraagt. In beginsel mag DUO van de veronderstelling uitgaan dat de vastgestelde alimentatie wordt ontvangen. Hiervan wordt alleen afgeweken als uit een verklaring van een bevoegde instantie blijkt dat de vastgestelde alimentatie sinds ten minste een jaar volledig oninbaar is gebleken. [2] Een verklaring van een ter zake deskundige zoals het LBIO of deurwaarder heeft eiseres niet overgelegd.
7.3.
De rechtbank ziet dat eiseres de nodige moeite heeft gedaan om informatie te verkrijgen voor de loskoppeling, maar zij heeft nog niet geprobeerd om de alimentatievordering bij haar vader te innen. Eiseres heeft bijvoorbeeld geen contact opgenomen met een deurwaarder. De stelling van eiseres dat zij geen deurwaarder kan inschakelen omdat zij niet weet waar haar vader verblijft, volgt de rechtbank niet. Doordat eiseres geen deurwaarder heeft ingeschakeld, is niet gebleken dat haar vader voor een deurwaarder onvindbaar is. Een deurwaarder heeft de mogelijkheid om de Basisregistratie Personen (BRP) te raadplegen. DUO heeft aangegeven dat de verblijfplaats van de vader van eiseres is te achterhalen in de systemen, zodat geen sprake is van een onvindbare ouder. Er is dus nog een weg die eiseres kan bewandelen om te proberen de alimentatie van haar vader te innen. Daarom is niet aannemelijk dat de alimentatie tenminste een jaar volledig oninbaar is gebleken.
7.4.
Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij schulden heeft opgebouwd, vanwege het uitblijven van de alimentatiebetaling. De rechtbank vat dit op als een beroep op de hardheidsclausule. Volgens vaste rechtspraak [3] biedt de hardheidsclausule de minister niet de mogelijkheid een uitzondering te maken op een wettelijke bepaling, indien de toepassing daarvan in overeenstemming is met de bedoeling van de regelgever en strekking van de regeling. Het is niet verenigbaar met het doel en strekking van de regeling als een (hogere) aanvullende beurs wordt verstrekt door voorbij te gaan aan een vastgestelde alimentatieverplichting, terwijl de voldoening aan deze verplichting mogelijk wel kan worden afgedwongen. Hierdoor slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat DUO bij de aanvullende beurs terecht rekening heeft gehouden met de vastgestelde alimentatie. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 18 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: wettelijk kader
Wet studiefinanciering 2000
Artikel 3.8 van de Wsf 2000
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
Artikel 3.14 van de Wsf 2000
1. Op aanvraag van een student kan de aan hem toegekende aanvullende lening worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en student of van onvindbaarheid van de ouder. Onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding wordt in ieder geval niet begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.
(…)
Besluit studiefinanciering 2000
Artikel 6 van het Bsf 2000
1. Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:
sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student,
het gezag van de ouder is beëindigd op grond van artikel 266 of 267 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
de student geen contact met de ouder heeft,
sprake is van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald.
(…)
Artikel 10 van het Bsf 2000
Van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de student voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.
Artikel 11 van het Bsf 2000
Artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing indien de student de verblijfplaats van de ouder niet kent en die verblijfplaats niet wordt achterhaald na onderzoek van Onze Minister gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland.
Artikel 12, eerste lid, van het Bsf 2000
Indien een student van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de student in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte te worden overlegd. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.

Voetnoten

1.CRvB 21 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6427, CRvB 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1138 en CRvB 18 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3110.
2.CRvB 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2588, CRvB 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2818 en CRvB 27 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:204.
3.CRvB 16 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2818 en CRvB 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:487.