ECLI:NL:CRVB:2016:1156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van de Griend
- C.H. Bangma
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit militair invaliditeitspensioen en vergoeding redelijke termijn
Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, kreeg een militair invaliditeitspensioen van 20% toegekend vanwege een knieblessure aan de rechterknie die verband hield met zijn militaire dienst. Na een herbeoordeling in 2010 bleef het invaliditeitspercentage ongewijzigd, ondanks dat appellant ook klachten aan zijn linkerknie had gemeld. Het bezwaar tegen deze beslissing leidde tot een getrapte besluitvorming, waarbij eerst een motiveringsgebrek werd vastgesteld en later een inhoudelijke beoordeling plaatsvond.
De Raad oordeelt dat deze getrapte besluitvorming in strijd is met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat op grond van bezwaar een volledige heroverweging moet plaatsvinden. De medische rapporten bevestigen dat de linkerknieklachten degeneratief zijn en niet in verband staan met de militaire dienst, ondanks de stelling van appellant dat een marsopdracht in 1994 de klachten veroorzaakte.
Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard, maar de Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit vanwege de onjuiste procedure. Daarnaast wordt vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep aanzienlijk is overschreden, waardoor de Staat en de minister schadevergoedingen van respectievelijk €500 en €1.500 moeten betalen. Het betaalde griffierecht wordt eveneens vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het invaliditeitspensioen wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.