ECLI:NL:CRVB:2016:1160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening rentebetalingen als inkomsten bij bijstand
Appellant ontvangt sinds 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college voerde een onderzoek uit na signalen over niet gemelde inkomsten en stelde vast dat appellant van zijn moeder jaarlijks een bedrag van € 664,10 ontving, dat als rentebetaling werd aangemerkt en op de bijstand in mindering werd gebracht.
Appellant stelde dat het om een gift ging en dat het college ten onrechte geen besluit over de verrekening had genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de rentebetalingen voortvloeien uit een notariële akte van schuldigerkenning, waarbij de moeder een bedrag schuldig erkent en jaarlijks rente betaalt. Dit is geen gift, maar inkomsten uit vermogen volgens artikel 32 WWB Pro. De verrekening met de bijstand is daarom terecht en het college was bevoegd dit te doen.
Appellant voerde aan dat hij door de verrekening in financiële problemen kwam, maar dit is onvoldoende onderbouwd en hij had rekening kunnen houden met de eerdere besluiten van het college. De Raad bevestigt de uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de rentebetalingen inkomsten uit vermogen zijn en terecht zijn verrekend met de bijstand.