ECLI:NL:CRVB:2016:1182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering vergoeding niet opgenomen vakantiedagen bij WAO-uitkering
Appellant ontving sinds 18 december 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, aanvankelijk bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35% en vanaf 14 april 2009 van 80-100%. Hij werkte voor een werkgever, waardoor zijn uitkering werd geanticumuleerd. Na beëindiging van het dienstverband per 1 september 2014 ontving appellant een bruto vergoeding van €7.769,81 voor niet opgenomen vakantiedagen.
Het UWV anticipeerde deze vergoeding en vorderde de over augustus 2014 betaalde uitkering van €2.194,57 terug. Appellant maakte bezwaar, stellende dat artikel 44 WAO Pro niet meer van toepassing was omdat hij vanaf 6 augustus 2012 geen arbeid meer verrichtte en dat de vergoeding niet als inkomen uit arbeid kon worden aangemerkt.
De Raad oordeelde dat artikel 44 WAO Pro toepassing blijft vinden zolang inkomen wordt genoten uit arbeid, ook als het dienstverband is beëindigd. De vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen is fiscaal loon uit dienstbetrekking en valt onder het inkomensbegrip van artikel 44 WAO Pro. De situatie van appellant is niet vergelijkbaar met een vergoeding uit een vroegere dienstbetrekking die niet als inkomen uit arbeid geldt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de uitkering bevestigd.