Uitspraak
19 december 2014, 14/3713 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante stond sinds augustus 2010 ingeschreven op een adres in de gemeentelijke basisadministratie (gba). De minister kende haar studiefinanciering toe op basis van de norm voor uitwonende studenten. In oktober 2013 voerden controleurs een huisbezoek uit, waaruit bleek dat appellante niet meer op het gba-adres woonde, maar bij haar zus. De minister herzag daarop de studiefinanciering met terugwerkende kracht tot januari 2012 en vorderde een bedrag terug.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij tot oktober 2013 wel op het gba-adres woonde, onderbouwd met verklaringen van familie en buren en poststukken. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat appellante geen onomstotelijk bewijs leverde dat zij daadwerkelijk op het adres woonde.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de minister bevoegd was tot herziening wegens het niet voldoen aan de woonverplichting. De door appellante overgelegde getuigenverklaringen en poststukken voldeden niet aan de strenge bewijsmaatstaf van onomstotelijkheid. De Raad wees ook op jurisprudentie over de bewijslast en de toepassing van de hardheidsclausule.
De Raad concludeerde dat de minister terecht geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule en de herziening bevestigde. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de studiefinanciering wegens niet-wonen op het gba-adres.