ECLI:NL:CRVB:2016:1281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering wegens geen toegenomen beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, aanvankelijk berekend op 80-100%, later verlaagd tot 15-25% per 2007. In 2013 meldde zij toegenomen arbeidsongeschiktheid met maag-, darm- en psychische klachten. Het UWV weigerde de uitkering te herzien en verklaarde bezwaar ongegrond. De rechtbank Limburg bevestigde dit in 2014.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat haar beperkingen waren toegenomen sinds 2010, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de toegenomen klachten niet voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak als de oorspronkelijke WAO-uitkering. De beoordeling is gebaseerd op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 oktober 2006, die beperkingen als gevolg van lage rugpijn, heupklachten, fibromyalgie en nekklachten omvat.
De Raad concludeerde dat appellante geen nieuwe objectieve medische informatie heeft aangeleverd die een toename van beperkingen binnen vijf jaar na 22 februari 2007 aantoont. Daarom is het besluit van het UWV om de uitkering niet te herzien terecht en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te herzien wegens geen toegenomen beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak.