ECLI:NL:CRVB:2016:1345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinair ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij onjuiste belastingaangiften en niet melden nevenwerkzaamheid
Appellant was sinds 1998 werkzaam bij een overheidsinstantie en werd geconfronteerd met een onderzoek naar onjuiste invulling van belastingaangiften van een vriend, tevens gastouder van zijn kinderen, over de jaren 2007 tot en met 2009. Tevens meldde appellant deze nevenwerkzaamheid niet aan zijn werkgever. Naar aanleiding hiervan legde de staatssecretaris hem op 18 november 2012 onvoorwaardelijk ontslag op wegens zeer ernstig plichtsverzuim.
In eerste aanleg werd het beroep van appellant tegen dit ontslag ongegrond verklaard. In hoger beroep erkende appellant de gedragingen van onjuist invullen van aangiften en het niet melden van nevenwerkzaamheid, maar betwistte hij manipulatie van kinderopvangtoeslag. De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim voldoende was voor ontslag en dat de straf niet onevenredig was.
De Raad benadrukte dat appellant bewust een zoekmethode gebruikte die leidde tot het niet vinden van bepaalde inkomsten, en dat hij onterecht loonbelasting had opgegeven. Het ontbreken van het oogmerk om de staat te benadelen deed hieraan niet af. De Raad bevestigde dat het ontslag passend was gezien de integriteitseisen voor ambtenaren, ook buiten fiscale functies.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het onvoorwaardelijk ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.