ECLI:NL:CRVB:2016:1358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel op 28 november 2011 uit voor zijn werkzaamheden als activiteitenbegeleider. Het UWV stelde bij besluit van 5 november 2013, gehandhaafd op 2 april 2014, vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dit besluit is gebaseerd op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waarin zijn belastbaarheid is vastgesteld en op de beoordeling dat hij geschikt is voor bepaalde functies.
Appellant stelde beroep in tegen dit besluit. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelde dat de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functie wikkelaar niet passend was en verving deze door andere functies zoals inpakker, wasserijmedewerker en machinaal metaalbewerker. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond de medische en functionele beoordeling juist gemotiveerd.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij de functies inpakker en machinaal metaalbewerker niet kon verrichten vanwege de mondelinge instructies die daarin gegeven worden. De Raad oordeelde echter dat de arbeidsdeskundige voldoende had toegelicht dat de werkzaamheden van inpakker eenvoudig en routinematig zijn en dat machinaal metaalbewerker op basis van schriftelijke instructies wordt uitgevoerd. Daarom is appellant geschikt voor deze functies.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.