ECLI:NL:CRVB:2016:1386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 1998 een nabestaandenuitkering en een halfwezenpensioen op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Daarnaast ontving zij sinds 2001 een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV, vastgesteld op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In 2013 beëindigde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de nabestaandenuitkering omdat het jongste kind van appellante 18 jaar werd, terwijl appellante volgens het advies van het UWV niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beëindiging en voerde aan dat zij recht hield op de uitkering vanwege haar arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch advies van verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat het oudere rapport van de neuroloog Geerlings uit 2004 niet relevant was voor de situatie in 2013. Ook werd geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad onderschreef het oordeel dat appellante niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was op de peildatum. De Raad nam het advies van de verzekeringsartsen van het UWV als uitgangspunt en wees het oudere neurologisch rapport en het behandelplan voor psychische klachten uit 2013 af als onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. De Raad zag geen reden tot het inschakelen van een deskundige en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.