ECLI:NL:CRVB:2016:1409
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande vanaf oktober 2011. In juni 2013 ontving het college een melding dat appellant sinds eind mei 2013 bij de kapsalon van zijn partner werkte en dat zij samenwoonden. Na onderzoek en een ondertekende verklaring van appellant trok het college de bijstand per 1 juni 2013 in en vorderde de kosten terug.
Appellant betwistte dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode 1 juni tot 2 september 2013 en stelde dat hij niet aan zijn verklaring gehouden kon worden vanwege zwakbegaafdheid. De Raad oordeelde echter dat de verklaring rechtsgeldig was, mede omdat appellant deze zonder voorbehoud ondertekende en onvoldoende medische onderbouwing voor zijn zwakbegaafdheid had geleverd.
De Raad concludeerde dat appellant en zijn partner vanaf 1 juni 2013 een gezamenlijke huishouding voerden, mede ondersteund door de inschrijving van het adres van de kapsalon bij de Kamer van Koophandel. Daarom was het college terecht gehouden de bijstand in te trekken en terug te vorderen over de betreffende periode. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding vanaf 1 juni 2013.