ECLI:NL:CRVB:2016:1472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, een onderhoudsschilder, meldde zich ziek vanwege hart- en vaatklachten en hoge bloeddruk terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV weigerde een Ziektewet-uitkering op grond van een rapport van de verzekeringsarts, waarop appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant arbeidsgeschikt was.
In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met medische informatie van zijn cardioloog en huisarts, en dat ook zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. Hij betwistte de toepassing van het protocol “Depressieve stoornis” in plaats van het protocol “Hartinfarct” door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts had appellant gezien, dossieronderzoek gedaan en informatie van behandelaars betrokken. De cardiologische gegevens toonden een redelijke hartfunctie en goede inspanningscapaciteit. Psychische klachten waren niet ernstig genoeg om arbeidsongeschiktheid te rechtvaardigen, mede omdat het werk niet fors psychisch belastend is.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep achtte geen medische urenbeperking noodzakelijk en verwierp de stelling dat de protocollen niet van toepassing zouden zijn. De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellant arbeidsgeschikt is volgens medisch onderzoek.