ECLI:NL:CRVB:2016:1474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van Wmo en artikel 8 EVRM
Appellant, een in Nederland verblijvende persoon zonder rechtmatige verblijfsstatus, verzocht het college om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees dit verzoek af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot maatschappelijke opvang, mede vanwege zijn verblijfsstatus en het ontbreken van een bijzondere kwetsbaarheid die bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond, stellende dat appellant weliswaar gezondheidsproblemen heeft, maar dat deze niet zodanig zijn dat zijn fysieke of psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd zonder opvang. Het college had bovendien opvang verleend via het COA tot juni 2014.
Appellant voerde in hoger beroep opnieuw een beroep op artikel 8 EVRM Pro aan, wijzend op zijn gezondheid, leeftijd en strafrechtelijk verleden, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat artikel 8 EVRM Pro respect voor het privéleven waarborgt, maar dat de staat een ruime beoordelingsvrijheid heeft, vooral bij personen zonder rechtmatig verblijf.
De Raad concludeerde dat het college niet onredelijk heeft gehandeld en dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang wordt bevestigd.