ECLI:NL:CRVB:2016:1514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid en wachttijd
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering op grond van vermeende arbeidsongeschiktheid door de ziekte van Crohn. Het UWV stelde vast dat zij sinds 1 januari 2002 beperkingen had, maar dat zij toen niet verzekerd was op grond van de Wet WIA. Een nieuwe aanvraag in 2013 werd eveneens afgewezen omdat volgens het UWV geen nieuwe arbeidsongeschiktheid was ingetreden sinds 2002 en appellante niet verzekerd was.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen medische aanwijzingen waren voor arbeidsongeschiktheid die in 2006 begon en 104 weken heeft geduurd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat om aanspraak te maken op een WIA-uitkering de arbeidsongeschiktheid moet zijn ontstaan tijdens een dienstverband of binnen vier weken na afloop daarvan, en dat deze minimaal 104 weken moet duren. Appellante werkte slechts enkele dagen in 2006 en er was geen bewijs van een langdurige opvlamming van haar ziekte in die periode.
Daarom concludeerde de Raad dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een WIA-uitkering en bevestigde de afwijzing. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij niet arbeidsongeschikt was in 2006 en de wachttijd van 104 weken niet heeft voltooid.