Appellant heeft op 22 juli 2013 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant vanaf 29 juli 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarna de rechtbank het beroep eveneens afwees.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn onderbeenklachten en chronisch vermoeidheidssyndroom onvoldoende waren meegewogen en dat het UWV ten onrechte geen beperkingen had aangenomen. Hij verwees naar medische rapporten van een internist-endocrinoloog en psychiater. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had vastgesteld en gemotiveerd.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weerleggen. De beperkingen die waren vastgesteld, maakten appellant geschikt voor de functies die ten grondslag lagen aan de beoordeling, met uitzondering van de functie van telefonist. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek om wettelijke rente af.