Appellante was werkzaam bij een gemeente en viel op 5 juli 2011 uit wegens ziekte. Na het einde van haar dienstverband op 1 maart 2012 vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het Uwv wees deze aanvraag af omdat appellante volgens hen niet verzekerd was voor de WIA. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd, waarna appellante hoger beroep instelde.
Tijdens het hoger beroep wijzigde het Uwv haar standpunt en liet appellante medisch onderzoeken. Op basis van deze onderzoeken werd opnieuw besloten de WIA-uitkering te weigeren omdat appellante geschikt werd geacht voor haar eigen werk en andere voorbeeldfuncties. Appellante betwistte de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en stelde dat haar beperkingen onvoldoende werden erkend.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat appellante geschikt was voor haar eigen werk per 2 juli 2013. De eerdere uitspraak en het eerste besluit werden vernietigd, het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.