ECLI:NL:CRVB:2016:1618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks verschillende inschrijvingen
Appellanten ontvingen beiden bijstand als alleenstaanden en stonden ingeschreven op verschillende adressen in Rotterdam. Na een anonieme melding startte de gemeente Rotterdam een onderzoek naar het voeren van een gezamenlijke huishouding. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, waarnemingen, een huisbezoek en buurtonderzoek.
De sociaal rechercheur vond aanwijzingen dat appellanten hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden, waaronder verklaringen van buurtbewoners, aanwezigheid van herenkleding en herentoiletartikelen, en waarnemingen van voertuigen. Appellante had tijdens het verhoor verklaard dat appellant sinds 2009 zijn hoofdverblijf bij haar had.
De Raad oordeelde dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De psychische problemen van appellante rechtvaardigden geen afwijking van haar verklaring. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.