ECLI:NL:CRVB:2016:1666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na samenwoning en afwijzing schadevergoeding
Appellant ontving bijstand naar de norm voor gehuwden tot zijn scheiding in maart 2013, waarna hij bijstand kreeg als alleenstaande. Na melding van samenwoning met zijn voormalige echtgenote in maart 2014 trok het college de bijstand als alleenstaande in en kende bijstand toe volgens de gehuwdennorm. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond omdat appellant geen zelfstandig rechtssubject meer was voor bijstand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college onzorgvuldig handelde door de bijstand onnodig in te trekken en dat hij hierdoor schade had geleden. De Raad oordeelde dat appellant geen zelfstandig recht op bijstand meer had en dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken. Hoewel er sprake was van een geringe vertraging in de uitbetaling, was dit niet onredelijk of onrechtmatig.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen grond voor veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door F. Hoogendijk namens de Centrale Raad van Beroep op 10 mei 2016.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.