ECLI:NL:CRVB:2016:1688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- P. Vrolijk
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongeschiktheid voor arbeid van vangnetter met rugklachten
Appellant was werkzaam als kabellegger en later als schoonmaker/veger voor gemiddeld 20 uur per week toen hij zich ziek meldde wegens rugklachten. Het UWV stelde vast dat appellant per 1 augustus 2013 geen recht meer had op ziekengeld, een besluit dat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet in staat was zijn arbeid te verrichten vanwege overschrijding van zijn belastbaarheid. Het UWV stelde daartegenover dat de belastbaarheid niet werd overschreden, onderbouwd met rapporten van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen.
De Raad oordeelde dat het begrip "zijn arbeid" bij vangnetters wordt bepaald door de laatst verrichte werkzaamheden zonder bijzondere verzwarende aspecten. De werkzaamheden als veger/schoonmaker werden terecht als maatstaf genomen. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juiste beschrijving van het werk en de medische beoordeling dat appellant geschikt was voor deze arbeid.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts dat appellant niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geschikt is voor zijn arbeid als veger/schoonmaker.