Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2010 bijstand als alleenstaande ouder. Het college heeft in 2013 de bijstand herzien en een bedrag teruggevorderd vanwege alimentatie-inkomsten, en vanaf april 2013 de bijstand gekort. Appellante verzocht in 2014 om beëindiging van de korting, stellende dat er geen rechterlijk vastgestelde alimentatieverplichting is en dat haar ex-partner geen draagkracht heeft.
Het college wees het verzoek af, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat er geen middelen ten goede komen aan haar dochter en dat er geen alimentatiebeschikking of rechtsgeldige overeenkomst is.
De Raad oordeelde dat op het verzoek artikel 4:6 Awb Pro van toepassing is, wat inhoudt dat alleen nieuwe feiten of omstandigheden na het eerdere besluit een herziening rechtvaardigen. Appellante bracht geen nieuwe feiten aan. Daarom was het college bevoegd het verzoek af te wijzen en is het hoger beroep verworpen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om beëindiging van de korting op bijstand wegens het ontbreken van nieuwe feiten.