ECLI:NL:CRVB:2016:1724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond verklaard tegen afwijzing Wubo-uitkering wegens onvoldoende causaal verband psychische klachten
Betrokkene, geboren in 1942, diende in 2002 en opnieuw in 2014 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hoewel erkend werd dat betrokkene tijdens de Bersiap-periode geïnterneerd was in kamp Tjeweng, werd de aanvraag afgewezen omdat geen blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld was vastgesteld.
Diverse medische adviezen, waaronder van artsen Husken, Ohlenschlager en Laatsch, werden overlegd. Hoewel Laatsch in latere adviezen een gedeeltelijk causaal verband aannam, concludeerden andere deskundigen dat de psychische klachten vooral voortkwamen uit andere oorzaken zoals affectieve verwaarlozing en problematische jeugdjaren. De Raad oordeelde dat de internering in Tjeweng niet in betekenende mate heeft bijgedragen aan de psychische problematiek.
Het beroep op omgekeerde bewijslast en het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering (SOT) slaagden niet. De Raad achtte het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Het beroep van de erven werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende causaal verband.