Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving aanvankelijk een inkomensvoorziening die in 2012 werd omgezet in bijstand, welke werd beëindigd vanwege het volgen van bekostigd onderwijs. Appellant meldde zich opnieuw op 10 maart 2014 voor bijstand, welke vanaf die datum werd toegekend. Hij maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat eerdere communicatie met het dagelijks bestuur als melding moest worden gezien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit het e-mailbericht van 17 oktober 2012 slechts een verzoek om informatie blijkt, geen melding om bijstand. Ook het gesprek van 28 maart 2013 was geen melding of aanvraag, maar een bespreking over een mogelijk verzoek om terug te komen op het eerdere besluit.
Verder bleek niet dat het dagelijks bestuur appellant heeft afgehouden van een tijdige aanvraag of dat hij niet in staat was eerder een aanvraag te doen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van bijstand rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bijstand wordt toegekend vanaf 10 maart 2014.