ECLI:NL:CRVB:2016:1812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding zakelijke stortingen
Appellante ontving sinds augustus 2012 bijstand op grond van de WWB. Het dagelijks bestuur schortte de bijstand op wegens het niet aanleveren van bankafschriften, maar hief deze opschorting na ontvangst van stukken weer op. Vervolgens bleek dat appellante een onderneming had en een zakelijke bankrekening waarop stortingen waren gedaan die niet waren gemeld.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de teveel ontvangen bijstand terug, omdat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door de zakelijke stortingen niet te melden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante onder meer een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, omdat zij op grond van eerdere communicatie mocht verwachten dat nader onderzoek zou volgen. Dit werd verworpen, omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De Raad bevestigde dat de stortingen als middelen van appellante moeten worden beschouwd, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, wat niet is gebeurd.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht de bijstand introk en terugvorderde voor de maanden waarin de stortingen plaatsvonden. Ook werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van kosten bezwaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van stortingen op een zakelijke rekening.