ECLI:NL:CRVB:2016:182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens vermogen boven grens ondanks spaardeposito's en schuld
Appellant vroeg op 21 juli 2012 bijstand aan, maar het college wees dit af omdat zijn vermogen van €18.530,71 boven de toegestane grens lag. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste.
De Raad oordeelde dat het vermogen moet worden vastgesteld op het moment van de aanvraag, inclusief spaardeposito's, ook al zijn deze voor beperkte periodes vastgezet. Appellant kon redelijkerwijs over deze spaargelden beschikken, zoals blijkt uit bankafschriften waaruit blijkt dat hij ook vóór de vervaldatum bedragen kon opnemen. De stelling dat spaargelden uit een eerdere bijstandsperiode buiten beschouwing moeten blijven, werd verworpen omdat het hier gaat om een nieuwe aanvraag.
Verder werd een schuld van €12.500,- aan ouders niet als vermindering van het vermogen erkend, omdat appellant niet aannemelijk maakte dat deze schuld daadwerkelijk opeisbaar was. De schuldbekentenis en verklaringen waren achteraf opgesteld en bevatten geen concrete afspraken. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de rechtsgevolgen in stand liet.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt afgewezen omdat het vermogen van appellant boven de vermogensgrens ligt.