De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV, omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht voor een zieke werknemer. Het UWV had het tijdvak van loondoorbetaling met 52 weken verlengd op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
De rechtbank Limburg had het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat de werkgever geen deugdelijke verklaring had gegeven voor het abrupt staken van de re-integratie. In hoger beroep stelt appellante dat het staken van de werkzaamheden voortvloeide uit medische en arbeidsdeskundige adviezen, waarbij het hervatten van eigen aangepast werk niet passend werd geacht.
De Raad oordeelt dat het standpunt van het UWV onvoldoende is onderbouwd en dat de handelwijze van appellante voortkomt uit het arbeidsdeskundig rapport van 28 juni 2013 en het medisch advies van de bedrijfsarts. Het UWV heeft nagelaten adequaat te reageren op deze bevindingen. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en herroept het loonsanctie-besluit. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten.