ECLI:NL:CRVB:2016:1888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij beëindiging nabestaandenuitkering
Appellante, geboren in 1961, ontving sinds februari 2008 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanwege het overlijden van haar echtgenoot en het hebben van een minderjarig kind. Na het bereiken van de meerderjarigheid van haar jongste kind op 14 december 2013, beëindigde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 31 december 2013, met de mededeling dat voortzetting mogelijk was bij arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%.
Appellante stelde in bezwaar en beroep dat de Svb verplicht was voorafgaand aan de beëindiging haar arbeidsongeschiktheid te beoordelen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de Svb niet verplicht was zelfstandig onderzoek te doen zonder dat appellante zich eerder op arbeidsongeschiktheid had beroepen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de Svb op grond van dwingende wettelijke bepalingen onderzoek had moeten verrichten en haar had moeten informeren over de mogelijkheid van voortzetting van de uitkering. De Raad oordeelde dat de Svb niet verplicht was uit eigen beweging een arbeidsongeschiktheidsonderzoek te starten en dat appellante pas na beëindiging van de uitkering een aanvraag had ingediend. Inmiddels was vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 45% bedroeg en was het bezwaar tegen deze beslissing in rechte afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellante geen procesbelang meer had bij het hoger beroep omdat zij met deze procedure niets meer kon bereiken. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.